Een ogenblik geduld a.u.b.

Resultaten

De nieuwe data van de GDI-2016 bieden veel aanknopingspunten om versneld maatregelen te treffen op weg naar een duurzame woon- en leefomgeving.

Duurzaamheid in 2016

Scores van de 24 indicatoren op een schaal van 0 tot 10
Scores van de 24 indicatoren op een schaal van 0 tot 10

2016 biedt een zeer gevarieerd beeld: goede scores voor Energiegebruik van woningen en publieke gebouwen (8,0), Gendergelijkheid (7,1) en Luchtkwaliteit (7,1). Daartegenover staan zeer lage scores voor Jeugdwerkloosheid (1,0), Natuur (2,1), CO2 uitstoot van woningen en publieke gebouwen (het energiegebruik is weliswaar redelijk, maar veroorzaakt wel veel CO2 uitstoot, score 2,2) en financiële weerbaarheid van gemeenten (Solvabiliteit, score 2,3).

Scores van de drie dimensies en de GDI op een schaal van 1 tot 10

De scores van de drie dimensies – Mens & Maatschappij, Milieu & Energie en Economie – en van de GDI geven aan dat er nog ‘veel ruimte voor verbetering’ is. Anders gezegd, er moet nog veel gebeuren voordat we kunnen zeggen dat er in alle gemeenten in Nederland sprake is van een duurzame woon- en leefomgeving.

Voor- en achteruitgang van 2008 tot 2016

Tussen 2008 en 2016 hebben er flinke verschuivingen plaats gevonden voor veel van de 24 indicatoren.

Verandering in gemiddelde scores van de 24 indicatoren voor alle gemeenten van 2008 tot 2016

11 indicatoren zijn in die periode vooruitgegaan, 5 zijn er gelijk gebleven en 8 zijn er achteruitgegaan. Per saldo betekent het een klein stapje in de richting van een meer duurzame woon- en leefomgeving. De vooruitgang is vooral te zien bij Onderwijs (minder voortijdig schoolverlaters), Vervoerswijze (we pakken wat minder vaak de auto), Lucht (afgezien van hardnekkige slechte plekken waar de concentratie van fijn stof en de uitstoot van nitraten nog steeds te hoog zijn, is de luchtkwaliteit in het algemeen verbeterd) en Veiligheid (minder geregistreerde misdrijven). De opwekking van hernieuwbare energie is met bijna 30% gestegen van 1060 naar 1370 kWh per inwoner, het energiegebruik van de woningen en publieke gebouwen is met 12% gedaald van 9850 naar 8900 kWh/inwoner, we produceren minder huishoudelijk afval (licht gedaald van 525 naar 495 kg/inwoner) en de arbeidsparticipatie van vrouwen is t.o.v. van die van mannen licht gestegen van ruim 84% naar bijna 86%. Het gaat de goede kant op, al is er reden genoeg om te zeggen dat het sneller kan en moet.

Van de 5 indicatoren die gelijk zijn gebleven zijn voor 4 slechts data voor 1 jaar beschikbaar, zodat er geen voor- of achteruitgang is gemeten. De vijfde, de indicator Woonlasten is gemiddeld per definitie gelijk gebleven, omdat die uitgaat van het verschil voor elke gemeente t.o.v. de gemiddelde woonlasten van alle gemeenten. Ondertussen zijn de woonlasten voor een meerpersoonshuishouden wel met gemiddeld bijna 15% gestegen.

De grootste achteruitgang is het gevolg van de oplopende werkloosheid, van 2,7% in 2008 naar 6,1% in 2016 (data 2015). Dat geldt in veel mindere mate voor de jeugdwerkloosheid omdat die met 11,1% in 2008 ook al erg hoog was en in 2016 (data 2015) 11,3% bedroeg. Ook het aantal personen dat met een minimuminkomen moet rondkomen is omhoog gegaan van 6 naar 8% en het aantal uitkeringen per 1000 inwoners is gestegen van 91 naar 110.

De gemiddelde scores van alle 390 gemeenten voor de drie dimensies en de GDI van 2008 tot 2016

De veranderingen in de scores van de indicatoren hebben uiteraard gevolgen voor de scores van de dimensies en de GDI voor de jaren 2008 en 2016: een kleine vooruitgang voor Mens & Maatschappij, een flinke vooruitgang voor Milieu & Energie en een enorme achteruitgang voor de dimensie Economie. Tezamen resulteert dit in een vrijwel gelijk gebleven GDI score.
Opmerkelijk is dat de scores voor Economie na 2008 de laagste zijn van de drie dimensies – in het rijke Nederland.

Urgentie

Waar ligt de urgentie om de ontwikkeling naar een duurzame woon- en leefomgeving te versnellen? Bezien vanuit de data is het belangrijk om vooral aandacht te geven aan de indicatoren die een lage score hebben en zeker als daar ook nog sprake is van achteruitgang.

Correlatie tussen de hoogte van de score en de verandering daarin voor de periode 2008-2016

Dat zijn vooral de indicatoren Minima en Werkloosheid, die zowel een lage score hebben als achteruit zijn gegaan in de jaren 2008 tot 2016. Het geldt eveneens voor de indicatoren die laag scoren en (vrijwel) gelijk zijn gebleven in deze periode of zelfs (een beetje) vooruit zijn gegaan, zoals Sport, Natuur en Water, CO2 uitstoot en Hernieuwbare energie, Jeugdwerkloosheid, Werkgelegenheid en Solvabiliteit. Het neemt niet weg dat het ook voor alle andere indicatoren zinvol is om voortvarend te werken aan verbetering. Het is uiteraard ook een afweging van wat er redelijkerwijs mogelijk is in een gemeente, wat aansluit bij al bestaande maatregelen en initiatieven en wat politiek mogelijk is.

Hogere en lagere scores van gemeenten

Aantal gemeenten met een hogere, gelijke of lagere score voor de 24 indicatoren, 2008-2016

De 390 gemeenten laten over de periode 2008-2016 aanzienlijk vaker een hogere dan een lagere score voor de 24 indicatoren zien.

Aantal gemeenten met een hogere, gelijke of lagere score in 2016 t.o.v. 2008

Uitgesplitst naar de afzonderlijke indicatoren is duidelijk te zien dat voor het merendeel van de indicatoren de (overgrote) meerderheid van gemeenten in 2016 hoger scoort dan in 2008. Voor 5 indicatoren (Minima, Sociale zekerheid, Burgerparticipatie, Werkloosheid en Jeugdwerkloosheid) scoren verreweg de meeste gemeenten in 2016 lager dan in 2008. Bij Burgerparticipatie past de kanttekening dat – bij gebrek aan meer relevante data – alleen is gekeken naar de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen. Bij 4 indicatoren blijft de score gelijk omdat daar geen voor- of achteruitgang is gemeten. Hernieuwbare energie laat zien dat de score in een opmerkelijk hoog aantal gemeenten (144 oftewel ruim een derde van de 390) gelijk is gebleven.

De duurzaamste gemeenten

De verschillen in totale scores tussen gemeenten zijn gering. Een kleine verandering in de score kan daardoor leiden tot een relatief grote verandering in de rangnummers. Desondanks blijkt de groep Koplopers, evenals de groep Hekkensluiters vrij stabiel te zijn.

Koplopers Hekkensluiters
2008 2016 2008 2016
Staphorst Nunspeet Amsterdam Landgraaf
Nunspeet Rozendaal Rijswijk Nissewaard
Zeewolde Staphorst Nuth Brunssum
Putten Zeewolde Maastricht Hoogezand-Sappemeer
Kapelle Putten Rotterdam Sittard-Geleen
Dalfsen Scherpenzeel 's-Gravenhage Rotterdam
Terschelling Sint Anthonis Sittard-Geleen Pekela
Reusel-De Mierden Pijnacker-Nootdorp Kerkrade Kerkrade
Heerde Terschelling Brunssum 's-Gravenhage
Someren Medemblik Heerlen Heerlen

Toch zijn er gemeenten die fors zijn gestegen op de ranglijst dan wel flink zijn gedaald. De oorzaken van de veranderingen kunnen sterk verschillen per gemeente. Zo is de score van Ouder-Amstel met meer dan een vol punt gestegen als gevolg van hogere scores voor energiegebruik en energiebesparing, onderwijs, luchtkwaliteit en werkgelegenheid en ondanks lagere scores voor een aantal andere indicatoren. Haarlemmerliede en Spaarnwoude laat de grootste achteruitgang in rangnummer zien, vooral ten gevolge van sterk toegenomen werkloosheid en jeugdwerkloosheid, woonlasten en solvabiliteit en ondanks een toegenomen aantal banen binnen de gemeentegrenzen.

Veranderingen in rangnummer 2008-2016
Sterkste stijgers Diepste dalers
Ouder-Amstel Ten Boer
Zeist Dantumadiel
Cuijk Cranendonck
Soest Kollumerland en Nieuwkruisland
Hilversum Tytsjerksteradiel
Katwijk Zwartewaterland
Culemborg Bernheze
Leusden Voorschoten
Renkum Uithoorn
Renswoude Haarlemmerliede en Spaarnwoude

Het blijkt dat de grote en vooral de grootste steden het moeilijk hebben om duurzaam te worden. In het bijzonder de score van de dimensie Mens en Maatschappij daalt sterk bij een toenemend aantal inwoners. Heel verklaarbaar, maar daarom niet minder uitdagend voor grote gemeenten.

Kortom

De nieuwe data van de GDI-2016 geven een helder beeld hoe ver elke gemeente is op weg naar duurzaamheid. De data bieden ook veel aanknopingspunten om versneld maatregelen te treffen op die weg naar een duurzame woon- en leefomgeving. Er zijn nog geen gemeenten met een score die zo hoog is dat deze zich met recht een Duurzame Gemeente mag noemen. In veel gemeenten en op vele fronten wordt er wel hard, vaak heel hard, gewerkt aan de ontwikkeling naar duurzaamheid. En met succes. Gemeenten worden in het algemeen duurzamer, vooral op het gebied van Milieu en Energie en ook op het terrein van Mens en Maatschappij. De forse terugval binnen de dimensie Economie, die toch al de laagste score liet zien, is de belangrijkste oorzaak dat er niet meer vooruitgang is geboekt. Van de 390 gemeenten die Nederland op dit moment telt, hebben er in 2016 vrijwel even veel een hogere als een lagere score voor de GDI vergeleken met 2008. Wellicht is het juister om te concluderen dat gemeenten, ondanks de terugval op het terrein van economie, kans hebben gezien om – gemiddeld genomen – een achteruitgang in duurzaamheid te voorkomen. Inwoners, bedrijven en een veelheid aan organisaties zetten zich in sterk toenemende mate in voor de ontwikkeling naar een duurzame samenleving. Dat geeft hoop. Duurzaamheid begint immers bij mensen.